Skip to content Skip to sidebar Skip to footer

Every Brilliant Thing, een reflectie

Op 5 juni bezocht Ad van den Kieboom namens AmateurToneel Overleg Breda (AtoB) de voorstelling Every Brilliant Thing. Hij schreef hierover onderstaande reflectie.

Tekst: Ad van den Kieboom
Fotografie: Reginald Kluijtmans

Every Brilliant Thing is een van die theaterteksten die over de hele wereld met groot succes worden gespeeld. In meer dan zestig landen is het stuk intussen opgevoerd. En dat is niet vreemd. De schrijvers kaarten een zwaar thema aan in een vorm die ruimte laat voor een lichte toon en een zo groot mogelijke betrokkenheid van de toeschouwer. De toeschouwer die zowel kijker is als deelnemer aan de handeling. Dat concept is aantrekkelijk voor regie, spelers en publiek. Nou, dat kan niet verkeerd gaan, denk je dan. Maar hier is een dichtregel van Bert Schierbeek van toepassing: Een pond veren vliegt niet als er geen vogel in zit.  Met andere woorden: de tekst moet bezield worden.  En die bezieling is jullie op een bewonderenswaardige manier gelukt.

Het publiek zit in een kring om het speelvlak, met het even minimale als functionele ‘decor’, heen. Volgens de schrijvers is de kring, las ik een intro van de tekst, de ideale opstelling voor dit stuk. Het is geen arena waarin een gevecht gaat plaatsvinden, maar een geborgen omgeving waarin iedereen elkaar kan zien en er een sfeer van intimiteit en veiligheid wordt gecreëerd. De ontspannen  manier waarop de eerste actrice (Mirjam Sengers) vanaf het begin ‘afspraken’ met het publiek maakt, draagt bij aan de genoemde sfeer. Vanaf het begin stelt ze de toeschouwers op hun gemak. Ze ontvangt ons als zichzelf, improviseert en maakt duidelijk wat de code is: we gaan dit samen doen, niets is verplicht, voel je vrij. Het lijkt eenvoudig, maar het vergt een enorme alertheid, zelfzekerheid en rust van de speler om zo de voorwaarden te scheppen waaronder dit waagstuk van een voorstelling optimaal kan werken. 

Fotografie: Reginald Kluijtmans

Fotografie: Reginald Kluijtmans

Ik noem het niet voor niets een waagstuk. De spelers moeten in staat zijn te improviseren in interactie met de toeschouwers, ze moeten moeiteloos in en uit hun rol kunnen stappen, voortdurend de situatie blijven beheersen en schakelen naar de lading van hun tekst. Het risico is groot dat er geen wisselwerking ontstaat, dat een toeschouwer in de toebedeelde rol te leuk wil zijn of juist dichtklapt. Het is de verdienste van de door jullie getroffen perfect passende toon en de juiste energie dat er echt een samenspel ontstond. Een samenspel dat gaandeweg de avond ook groeide. Er zijn tal van voorbeelden uit de voorstelling te noemen die dat proces illustreren, maar ik noem hier even de scene uit het begin waarin Johan Kluijfff door de dierenarts met een spuitje uit zijn lijden wordt verlost. De speelster schakelde van personage naar ‘zichzelf’ en regisseerde daarbij de handeling ter plekke waardoor de scene zowel grappig, ingeleefd, emotioneel als ook enigszins vervreemdend werkte. De tegenspeler werd in zijn waarde gelaten. Anders dan bijvoorbeeld hoe cabaretiers publiek bij hun voorstelling betrekken, soms ook belachelijk maken en hun machtspositie ten koste van het slachtoffer gebruiken of misbruiken om er zelf beter uit te komen. Dat mechanisme van samen durven spelen op basis van ‘gelijkwaardigheid’ herhaalde zich op andere momenten. Het was bijvoorbeeld mooi om te zien hoe Stephanie in de tweede ‘confrontatie’ met mevrouw Peters de wat dwarse reactie van die toeschouwster kalm en effectief opving. Mevrouw Peters voelde als snel dat ze beter kon doen wat de situatie vroeg. Als je dat kunt bewerkstelligen in het vuur van het spel, dan zit je goed in je rol. Datzelfde ‘gemak’  gold ook voor de omzichtigheid waarmee Eveline de scene met Sam speelde. Zowel door Sam ruimte te geven als door subtiel te sturen wist ze er sterke momenten van te maken.  

Over risico’s gesproken: de keuze om de monoloog afwisselend door drie speelsters te laten vertolken is niet voor de hand liggend. Ik denk dat veel versies van Every Brilliant Thing door één speler over het voetlicht wordt gebracht. Het Nationaal Toneel bracht een paar jaar terug een versie door een man en een vrouw. Jullie hebben een trio ingezet. Dat is wel lef hebben. Want hoe ga je in zo’n kwetsbare voorstelling waarin op het juiste moment schakelen cruciaal is om de spanning op peil te houden om met de verschillen in aanwezigheid, persoonlijkheid, energie, improvisatievermogen en tekstbehandeling? Nou, door niet te proberen de spelers op elkaar te laten lijken, maar de verschillen te accepteren. Juist de afwisseling voegde iets toe aan het geheel. Verder waren er mooie vondsten die bijdroegen aan de dynamiek van de voorstelling. Zoals wanneer de drie speelsters samen met vader in de auto reageren op de waarom-vragen van het publiek. Of de jazzy zang-intermezzo’s van Mirjam. Klein, zuiver, passend en indringend.  

Ik heb niet in de repetitiekeuken van Paul Terwijn kunnen kijken. Maar ook zonder dat is het meer dan duidelijk dat hij de speelsters veel vertrouwen in zichzelf en het product heeft weten te geven. Zijn aanpak heeft geleid tot een prachtige, ontroerende en humorvolle voorstelling die uitmunt in een combinatie van spelplezier, schwung, gelaagdheid, improvisatietalent en een imponerende wisselwerking tussen spelers en publiek. Was het dan allemaal perfect? Nee. Als er met de rug naar het publiek werd gespeeld was de verstaanbaarheid niet altijd goed. En sommige passages mochten wat mij betreft iets meer uitgespeeld worden.  Dat doet echter niets af aan de kwaliteit van de voorstelling. Om op de eerder geciteerde regel van Bert Schierbeek terug te komen: Jullie hebben het pond veren niet alleen laten vliegen, maar ook nog tot grote hoogte gebracht.

Ad (van den Kieboom)

Benieuwd naar de voorstelling? Hij is nog te zien op 12 en 13 juni én er zijn nog kaarten verkrijgbaar: Klik hier om tickets te bestellen.

Markendaalseweg 75, Breda
info@teater77.nl

Op de hoogte blijven? Meld je aan voor onze nieuwsbrief!
Privacy*

GEREALISEERD DOOR STEPH SEES, MET THEMEREX © 2026 THEATER ’77.